Examen Biologie VWO 2025
Begrijp jij de dynamiek in ecosystemen en kun jij de energiestromen en kringlopen in de natuur beschrijven? Ken je het menselijk lichaam in detail en weet jij hoe evolutie werkt? Op deze pagina kun je alles lezen over het examen Biologie VWO.

De examenstof
Het examen Biologie VWO 2025 bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk:
Dit onderdeel gaat over het leven op molecuul- en celniveau. Het bestaat uit zes verschillende subonderdelen.
1A. Eiwitsynthese
In het eerste onderwerp moet je weten wat DNA is en waar DNA uit is opgebouwd. Daarnaast moet je ook het verschil tussen DNA en RNA kennen. Je moet verder weten hoe het DNA van een plant of een eencellig organisme in elkaar steekt. Daarnaast moet je weten wat eiwitten zijn en wat eiwitsynthese is. Zorg hierbij dat je de structuur van een eiwit kent.
1B. Stofwisseling van de cel
Bij het onderwerp stofwisseling van de cel moet je weten dat cellen de kleinste bouwstenen van een organisme zijn. Het is belangrijk dat je weet hoe een cel is opgebouwd en waaruit deze bestaat. Je moet cellen in verschillende categorieën kunnen verdelen. Vooral van eukaryote cellen moet je de eigenschappen kunnen benoemen. Daarnaast moet je ook de eigenschappen van bacteriën en virussen kennen.
Op het examen Biologie VWO moet je alles weten over transport in het menselijk lichaam. Verschillende stoffen moeten in en uit een cel kunnen worden getransporteerd. Hierbij bestaat er een verschil tussen actief en passief transport. Zorg dat je het verschil kent en voorbeelden van beiden kunt benoemen. Als een cel wilt overleven, moet het gebruikmaken van chemische reacties. Op het examen moet jij weten hoe assimilatie en dissimilatie werken. Ook moet je weten hoe energieomzetting werkt bij aerobe en anaerobe dissimilatie.
Cellen kunnen dus stoffen opnemen, transporteren, omzetten en afgeven. Allen met behulp van energie. Enzymen helpen deze processen. Zorg dat je weet wat enzymen zijn, hoe deze werken en wanneer ze het meest effectief zijn.
Ook moet je weten dat het lichaam brandstoffen en bouwstoffen nodig heeft om te functioneren. Zorg dat je weet welke soorten koolhydraten er zijn en dat je weet dat eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren.
1C. Zelforganisatie van cellen
Zelforganisatie van cellen gaat in op genexpressie en celdifferentiatie. Bij genexpressie is het belangrijk om de bouwstoffen van cellen te kennen, namelijk eiwitten. Zorg dat je de verschillende soorten eiwitten kent. Ook moet je weten wat nucleïnezuur is en wordt er dieper ingegaan op de rol van DNA en RNA. Bij celdifferentiatie is het belangrijk om te weten hoe cellen zonder specialisme worden omgevormd tot cellen met specialisme. Vooral stamcellen staan hier centraal.
1D. Moleculaire en cellulaire interactie
Dit onderdeel gaat in op genregulatie. Zorg dat je weet waar een DNA-molecuul van een prokaryoot en een eukaryoot uit bestaat. In dit kader moet je onder andere weten wat een regulatorgen, een promotor, een operator en structuurgenen zijn.
Verder moet je weten hoe cellen via signaalstoffen met elkaar communiceren in ons lichaam. Hierbij moet je onder andere weten wat de actiepotentiaal en de rustpotentiaal zijn. Ook moet je weten wat de rol van neurotransmitters hierbij is.
1E. Reproductie van het organisme
In dit onderdeel moet je op celniveau weten hoe reproductie werkt en wordt er ingegaan op erfelijke eigenschappen. Organismen erven bepaalde eigenschappen van ouders. Op het examen Biologie VWO moet je weten hoe erfelijkheid werkt. Zorg dat je weet wat DNA, een chromosoom, gen of allel is. Maar ook hoeveel chromosomen een mens kent en wat het geslacht bepaalt. Een belangrijk onderdeel uit dit onderwerp is dat je kunt rekenen met kruisingen. Ten slotte moet je in staat zijn om te beschrijven op welke manieren de mens kan ingrijpen in de erfelijkheid van organismen.
1F. Selectie
Dit onderdeel gaat in op DNA-analyse en mutaties. Je moet weten dat een mutatie een spontane verandering in het DNA veroorzaakt. Je moet het verschil kennen tussen chromosoommutaties, genmutaties en genoommutaties.
Dit onderdeel gaat over het leven op orgaan- en organismeniveau. Het bestaat uit vier verschillende subonderdelen.
2A. Stofwisseling van het organisme
Op het examen moet je bij het menselijk lichaam weten hoe het opnemen, transporteren, omzetten en afgeven van stoffen werkt. In detail moet je dit kunnen benoemen voor de spijsvertering, uitscheiding en ademhaling.
Bij het onderwerp ademhaling moet weten hoe de longen werken. Bij vertering moet de functies van de verschillende organen kennen. Onder andere de nieren, alvleesklier, de lever en de verschillende darmen. Ten slotte worden afvalstoffen uitgescheiden. Ook dit proces moet je kennen.
Het transport van voedingsstoffen, zuurstof en afvalproducten in het menselijk lichaam wordt uitgevoerd via de bloedsomloop. Belangrijk hierin is om de rol van het hart, slagaders, aders en haarvaten te kennen. Daarnaast moet je de verschillen tussen de grote en kleine bloedsomloop kennen. Je moet weten waar bloed uit bestaat en hoe het wordt aangemaakt. Naast het bloedvatenstelsel moet je de werking en functie van het lymfestelsel kennen.
Ten slotte moet je weten hoe transport bij planten werkt. In dat kader moet je het verschil kennen tussen houtvaten en bastvaten.
2B. Zelfregulatie van het organisme
Dit onderdeel gaat in op zelfregulatie van het organisme. Homeostase is het in evenwicht houden van alle functies in het menselijk lichaam. Bijvoorbeeld ademhaling of temperatuur. Zorg dat je de regelkring kent waarmee waarden in het lichaam constant aan interne normen wordt getoetst. Bij afwijkingen (bijvoorbeeld te warm of te koud) zet het lichaam een effector in om terug te keren naar de norm. Zorg dat je begrijpt hoe prikkels werken. En hoe zintuigen prikkels omzetten.
Verder gaat dit onderdeel in op hormonen. Hormonen zijn stoffen in je lichaam die bepaalde lichaamsprocessen stimuleren of afremmen. Je moet weten hoe hormonen werken. Ook moet je voorbeelden van hormonen kunnen benoemen. Denk aan adrenaline en de geslachtshormonen. Zorg dat je ook de verschillende effecten van hormonen kunt beschrijven.
Verder gaat dit onderdeel in op het zenuwstelsel. Je moet het centrale en perifere zenuwstelsel kennen, inclusief de functies van de belangrijkste onderdelen. Denk bijvoorbeeld aan de grote hersenen, hersenstam of ruggenmerg. Ook moet je in detail weten hoe een zenuwcel werkt. Zorg dat je het verschil kent tussen schakelcellen, sensorische- en motorische zenuwcellen.
2C. Afweer van het organisme
Organismes zijn in staat zich te weren tegen ziekteverwekkers en andere binnendringers. Zorg dat je weet hoe het afweermechanisme werkt. Ken onder andere de rol van de huid en slijmvliezen. Op het examen moet je het verschil tussen antigenen en antistoffen kennen. Ook moet je weten hoe indringers door het afweersysteem worden vernietigd.
Op het examen moet je weten welke soorten cellen allemaal betrokken zijn bij het afweersysteem. Zo moet je het verschil tussen B-cellen en T-cellen kennen. Zorg ook dat je weet wat MHC-I en MHC-II receptoren zijn.
In dit onderdeel wordt ook het onderwerp immuniteit behandeld. Zorg dat je het verschil kent tussen natuurlijke immuniteit en kunstmatige immuniteit, actieve immunisatie en passieve immunisatie.
2D. Reproductie van het organisme
In dit onderdeel wordt er ingegaan op voortplanting. Je moet kunnen beschrijven hoe dat proces werkt en hoe een zwangerschap tot stand komt. Je moet ook weten welke hormonen bij de voortplanting betrokken zijn. Verder moet je het verschil kunnen tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting.
Dit onderdeel gaat over het leven op populatie- en ecosysteemniveau. Het bestaat uit vier verschillende subonderdelen.
3A. Regulatie van ecosystemen
Het onderwerp regulatie van ecosystemen gaat in op ecosystemen. Zorg dat je de componenten van een ecosysteem kent. En het verschil tussen biotische en abiotische factoren. Ook moet je weten hoe energiestromen in ecosystemen lopen. Ten slotte dien je de stikstofkringloop en koolstofkringloop te kennen, alsook de rol van de mens hierin.
3B. Zelforganisatie van ecosystemen
In dit onderdeel moet je weten hoe ecosystemen met de tijd veranderen. In dat kader moet je het verschil kennen tussen een pionierecosysteem, climaxecosysteem en gradiëntecosysteem. Ook moet je weten wat successie is en wat het omslagpunt betekent in het kader van ecosystemen.
3C. Interactie in ecosystemen
In dit onderdeel moet je weten hoe een voedselweb werkt. De aanwezigheid van voedsel heeft namelijk grote invloed op een populatie. Belangrijk is dat je de verschillen kent tussen producenten, consumenten en reducenten. Verder moet je weten hoe symbiose werkt en welke vormen van symbiose er zijn. Ten slotte moet je weten welke rol duurzaamheid in onze samenleving speelt.
3D. Soortvorming
Bij dit onderdeel is het belangrijk om te begrijpen hoe een populatie tot stand komt en hoe tegelijk variatie ontstaat. Zorg dat je begrippen als natuurlijke selectie en genetische drift hierin kunt toepassen. Je moet ook kunnen rekenen met de regel van Hardy-Weinberg. Wanneer externe omstandigheden veranderen, vindt er adaptatie plaats en passen soorten zich aan. Zorg hierbij dat je weet wat evolutie is en dat je analoge en homologe evolutie kunt onderscheiden. Ondanks natuurlijke selectie kunnen verschillende vergelijkbare soorten ontstaan. Hierin past de theorie van reproductieve isolatie. Zorg dat je deze kent.
Het examen Biologie VWO
Biologie, de leer van het leven, bestudeert het leven op verschillende niveaus. Op het examen Biologie VWO 2025 komen vijf hoofdonderwerpen terug. Het examen bestaat uit open en meerkeuzevragen over deze onderwerpen. Hieronder leggen we uit wat voor vragen je kunt verwachten.
Op het centraal examen moet je op verschillende biologische niveaus verbanden kunnen leggen. Van moleculen tot cellen, organen, organismen, populaties en ecosystemen.
Andere vragen gaan rechtstreeks over de begrippen. Leer de begrippen daarom goed. Laat je eventueel overhoren door een klasgenoot. Daarnaast komt het ook voor dat je begrippen in een context moet plaatsen. Probeer goed te letten op de relatie van de begrippen in combinatie met een groter onderwerp.
Hoe kunnen wij jou helpen bij het eindexamen?
Wij geloven dat iedereen kan slagen voor het eindexamen. Om jou te helpen goed voorbereid het examen in te gaan, hebben wij alle belangrijke informatie en handige producten voor je op een rijtje gezet om je te helpen slagen voor het examen Biologie VWO.
Informatie
- Examentips. Hier vind je alle belangrijke tips die je moet weten voor het examen Biologie VWO.
- Oude examens Biologie VWO. Oefenen is tenslotte het grote geheim om te slagen.
Producten
- Samenvatting voor het examen Biologie. Dit is een kort en bondige samenvatting van alle examenstof.
- ExamenChallenge (online examentraining) voor het examen Biologie. Verbeter zo snel mogelijk jouw zwakke punten met dit oefenvragenkanon.
- Oefenboek voor het examen Biologie. Honderden oefenvragen gesorteerd per subdomein.
- Uitlegvideo's voor het examen Biologie. Dit zijn tientallen video's waarin de examenstof duidelijk wordt uitgelegd.
- Examentraining voor het examen Biologie. Krijg twee dagen persoonlijke aandacht en pak jouw struikelvak aan.
De examenperiode is de meest stressvolle tijd van de middelbare school. Maar als jij onze samenvatting goed doorneemt, veel oefenvragen maakt en onze examentips leest, dan ga jij straks slagen voor het eindexamen!
- Kies je niveau
- Kies je producten
- Kies je vakken
Voordeelpakket
Tot 21% stapelkorting